Tachtigjarige Oorlog
1568 - 1648
Deze oorlog begon als opstand van een van de rijkste gebieden van Europa tegen het machtigste rijk in Europa, het Spaanse Rijk onder Filips II. Aanvankelijk trokken de uit zeventien gewesten bestaande Lage Landen min of meer gezamenlijk op, om een combinatie van religieuze, bestuursrechtelijke en fiscale redenen.
Na 1576 groeiden de noordelijke en zuidelijke Nederlanden echter steeds meer uit elkaar, vooral omdat de protestantse reformatie in het noorden dieper wortel had geschoten en het machtscentrum van de Habsburgse bestuurders in de Lage Landen in Brussel lag. Tijdens de oorlog ontstond in 1588 de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het calvinisme de toon aangaf. In 1585 bezegelde de val van Antwerpen de scheiding van noord en zuid. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder het bewind van een landvoogd die door de koning van Spanje benoemd werd. Het katholicisme bleef daar de enige toegestane godsdienst.
De eerste twintig jaar van de oorlog was de situatie voor de opstandelingen vrijwel steeds somber of wanhopig, maar rond 1590 keerde het tij van de oorlog definitief ten gunste van de Republiek. De imperial overstrech van het Spaanse Rijk, de bekwame militaire leiding van prins Maurits en de maritieme expansie van de Nederlanden, veelal ten koste van het Spaanse koloniale rijk, maakten de uiteindelijke triomf mogelijk van de Republiek, die zich ontwikkelde tot een wereldmacht. De 17e eeuw wordt beschouwd als de Gouden Eeuw voor de Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. Voor de calvinisten was het ook de tijd waarin hun politieke invloed groter dan ooit ervoor of erna was en de nauwe band met het Huis van Oranje ontstond.




